14 nov

Wij zeilden heel de nacht enkel met het kleine en het grote marszeil, want we dachten gisterenavond dat we  maar 3 mijl van Sao Tiago verwijderd waren. Deze morgen zagen we aan stuurboord het eiland op korte afstand, we hadden haar kaap zelfs nog niet voorbijgevaren. Daar er mist was konden wij het nauwelijks onderscheiden van de wolken. Tegen de morgen waren we ineens maar twee karabijnschoten meer verwijderd van land, de stuurmannen waren verrast, zij hadden hun koers nochtans gewijzigd om dit euvel te vermijden. Zij gaven als reden de noordoostelijke zeestroming aan die in deze streken heerst en die ons naar het eiland had gestuurd. Daarna gaf de kapitein bevel de zeilen op te rollen. Met een gunstige wind dreven wij langs het zuidwestelijke deel van het eiland  waar wij het kleine stadje Porto Prayo zagen. Voordat wij er aankwamen zwom er achter onze boot een rode vis. De zoon van de kapitein trachtte hem te spiezen. Toen hij de vis in de boot wou trekken viel hij terug van de spies pardoes terug in het water. Hij dreef dood aan de oppervlakte met zijn buik naar boven. Daar ging onze lekkere maaltijd! We dreven de baai van Porto Prayo binnen en we wierpen het anker uit om 12 uur ’s middags op 8 zeevadem. We begroetten de stad met 11 kanonschoten. Deze groet werd niet beantwoord. Enkel de Portugese vlag werd op het eiland gehesen. Na deze begroeting zond onze Kapitein zijn Luitenant naar de plaatselijke Gouverneur om hem te vragen om vers water en fruit op te slaan. Toen de Luitenant terug aan boord kwam had hij een meloen en enkele bananen bij zich, die de Gouverneur hem als geschenk had meegegeven. Dezelfde Gouverneur had ons ook de toestemming gegeven om zoveel voorraad op te slaan als we maar wilden. We zagen hier ook een Engels fregat aan het anker. Het kwam terug van Guinea, met aan boord een dertigtaltal kamelen om te verhandelen in Oost-Indië tegen suiker en stoffen. Deze laatste nieuwe vorm van handel word zeer winstgevend ingeschat.

 

 

14 9bre

Nous ne fimes voile de toute la nuitte passée, que du petit, et grand hunier, puisque on jugeoit hiere au soir que nous n'étions qu'a 3 lieux de l'isle de St: Jago, ce matin a 5 heures nous decouvrimes au tribord, l'isle de St: Jago a peu de distance, meme nous avions passés sa pointe, mais comme la nuitte avoit été tres obscure par des especes de brouillard, on ne l'avait pu distinguer des nuages, mais des que l'aurore parut, nous nous trouvames si pres de terre, que nous n'en etions plus éloignés que deux coups de carabine le capitaine, et les pillottes en furent surpris, cependant ils avoient changés leurs cours, pour éviter cet inconvenient, ils jugerent la force des courants, venant du Nord Est, et qui regne sur cette cote, nous y avoit poussé, d'abord le capitaine ordonna de deploier les voiles, aiant un vent tres favorable et cottoijames ainsi la ditte isle jusqu'au Zud ouest de l'isle ou nous vimes la petitte ville de Porto Praijo, avant d'y venir un petit dorade se trouva derriere notre vaisseau, nageant sur la superficie de la mer, on se mis en train de le darder, le fils de notre capitaine laissa tomber le dard, et le toucha, mais le voulant retirer le poisson tombit en mer, et fut mort car nous le vimes surnager la mer le ventre en haut, de sorte que nous fumes privés d'un manger aussi delicat qu'est le dorade a la fin nous entrames dans la petite Baije de Porto Praijo, a 12 heures du midij nous mouillames l''ancre, nous y avons 8 brasses d'eau, nous saluames la ville d'onze coups de cannon, mais la ville ne nous repondit pas, la ville en nous voiant arriver arbora son pavillion Portugais, apres notre dit salut, le Capitaine envoia son Luitenant avec la chalouppe au Gouverneur, pour l'assurer des ses respects, et demander la permission pour faire de l'eau, et des rafraichissement, le capitaine lieutenant étant revenu a bord, rammenoit avec lui un présent d'un mellon d'eau, et quelques pisaus, les quelles le Gouverneur fit goutter pour rafraichissement, avec la permission, d'en prendre d'autres, autant que nous souhaiterions, nous trouvames ici une fregatte Angloise a l'ancre, venante des Guinées, chargée d'une trentaine de chameaux, pour les negotier aux Indes Occidentales aux plantations du sucre, et indego, ce negoce est tout a fait nouveau, et on le croit tres profitable par la nouveauté meme.